Niets is wat het lijkt.

Als ik Lucia op heb gehaald en via de stad naar huis rijd, zie ik in mijn achteruitkijkspiegel dat er een vrouw in een auto erg dicht achter me zit.
Als ik iets beter kijk, zie ik haar boos gebaren dat ik moet opschieten.
Opschieten? Hier? Met overal om me heen fietsende jongeren zwabberend op hun oude fietsen?
‘Je wacht maar mooi’, vertel ik de achteruitkijkspiegel.
Als de betreffende vrouw haar gebaren kracht begint bij te zetten door hard naar me te toeteren, voeg ik wat minder vriendelijke woorden aan deze mededeling toe. Ik trap op de rem om haar te laten zien dat ik echt niet harder ga rijden.
Vlak voor het verkeerslicht heeft de dame in kwestie er blijkbaar genoeg van en ze haalt me in. Iets wat op andere plekken prima kan, maar daar niet eens in je hoofd moet opkomen.
Vervolgens zet ze haar auto haaks voor de mijne en stapt uit.

‘Nu gaan we het krijgen,’ denk ik.
‘Lucia, jij blijft zitten!’ commandeer ik mijn angstige dochter. Zelf ben ik overigens ook niets anders van plan.

De vrouw loopt, in tegenstelling tot wat ik verwacht, niet naar ons, maar naar de voorkant van haar auto.
Daar zie ik een kind liggen.
‘V…d.. ze heeft een kind aangereden met die achterlijke actie,’ zeg ik hardop. Dat de politie er al meteen bij staat vind ik een heel positief toeval.
Ik zal ze wel eens gaan vertellen hoe deze dame zich zojuist op de weg heeft gedragen en daarbij dit kind van de sokken heeft gereden.

Ik stap uit en loop naar het huilende meisje op de grond en de vrouw die ik zojuist vervloekte om haar rijgedrag.
‘Wat is dit ook voor rijgedrag joh, dat is toch idioot?!’ zeg ik.
Wezenloos kijkt de vrouw me aan.
‘Waar heb jij het over?’
’Je haalt me hier net in en zit tegen mijn bumper, dat is toch niet normaal?!’
Ik sta te trillen van boosheid en kijk naar de agent.
Waarom bemoeit die zich er niet mee?

‘Oh. Sorry’ zegt de vrouw.
‘Maar dit is mijn dochter die hier ligt.
Ze is net aangereden. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk naar haar toe.

En zo sta ik daar ineens op het kruispunt een potje te huilen.
Tranen van boosheid en stress door die vrouw die op mijn bumper zat en haar inhaalactie die ik bijna fout zag gaan.
Tranen om dat meisje op de grond en haar zusje dat in paniek op de stoep staat te huilen.
Tranen om die moeder die haar angst uit zag komen waar wij moeders iedere dag mee kampen: komen onze kinderen vandaag weer veilig door het verkeer?
En tranen van boosheid op mezelf, omdat ik me zo heb laten meeslepen door wat ik dácht te zien.

‘Kan ik wat doen?’ vraag ik.
‘Je auto daar weghalen’, antwoordt de agent.

Ik zie mijn auto gruwelijk in de weg staan voor een groen stoplicht. Iedereen moet er met een grote boog omheen.
Ze zullen wel denken: ‘Wat een aso om hier zo te gaan staan.’

Niets is wat het lijkt…

Eén reactie

Plaats een reactie