‘Ik zwem even naar die snorkelende meiden van me’, denk ik als ik in het heerlijke heldere zeewater lig.
Ik zie ze in de verte en ben benieuwd wat ze daar precies allemaal onder water hebben ontdekt.
Het water is heerlijk, ik kan de bodem zien en spot hier en daar een vis.
Als ik bijna bij mijn kroost in de buurt ben, roept één van hen iets wat ik niet kan verstaan.
‘Ik versta je niet, ik kom wat dichterbij!’
Weer roept ze iets, ik versta alleen het woord rotsen.
Een paar tellen later schaaf ik met mijn knie over iets hards. Ik hoor nu ook wat de meiden roepen: ‘ Kijk uit bij de rotsen!’
Te laat.
Blijkbaar ben ik op een rots die nog net onder water lag, beland. Wat ik niet meteen besef is dat de golven bij zo’n plek andere dingen doen dan in de rest van de zee. Onvoorspelbare dingen.
Dat dat het geval is, ontdek ik als ik plotseling door een grote golf een eind verder de rots op word gekwakt. Terwijl ik daarvan lig bij te komen, komt er een nieuwe golf aan die me een eindje verderop niet al te zachtzinnig voor een tweede keer met de rotsen laat kennismaken.
Ik probeer te gaan staan en voel een stekende pijn in mijn voet als een derde enorme golf me kopje onder laat gaan.
Ik geloof niet dat ik vaak zo’n paniek heb gevoeld als op dat moment.
‘Ik kom er niet uit, die golven zijn me de baas.’
Gelukkig lukt het me uiteindelijk om van de rotsen af te komen en een nieuwe golf brengt me naar het strandje verderop, waar een Turkse familie me meewarig zit aan te kijken.
‘Maakt allemaal niet uit, ik ben aan de kant en een knapperd die me de zee nog inkrijgt,’ denk ik.
Ik zie dat mijn benen vol schaafwonden zitten en voel nog steeds de stekende pijn onder mijn voet.
Sanna, die in de gaten krijgt dat haar moeder dit allemaal niet helemaal vrijwillig doet, komt naar me toe om te helpen.
‘We riepen nog dat je niet bij de rotsen moet komen.’
Strompelend aan haar arm naar de handdoek barst ik in huilen uit.
Ik ben geloof ik niet vaak zó geschrokken.
‘Ik dacht dat je alleen ging pootje baden’, zegt Marcel die me bezorgd tegemoet komt lopen. ‘Anders had ik je gewaarschuwd. Je moet nóóit dichtbij rotsen zwemmen!’
In mijn rechtervoet zitten nu welgeteld 10 stekels van een zeeegel. Ze zitten zo diep dat ze met een zalfje van de apotheek moeten oplossen.
Mijn rug en mijn benen zien eruit alsof ik over asfalt heb gekropen.
Wat is de zee prachtig, maar wat moet je ook vreselijk goed weten wat je doet!
Voorlopig ga ik weer gewoon pootjebaden.
