Dakloos

‘U heeft een mooi hart’, zegt hij als ik hem goedemiddag wens.
‘Dank u, maar waarom zegt u dat?’ vraag ik.
‘U zegt hallo tegen mij. Dat doet niemand.’

Ik kijk om me heen en zie mensen de supermarkt, waar hij voor staat met zijn daklozenkrant, ingaan zonder hem een blik waardig te gunnen.
‘Ze denken hallo is betalen’, zegt hij lachend, duidelijk zijn best doend verstaanbaar Nederlands te praten. ‘Maar hoeft niet, hallo zeggen maakt mij ook blij.’

Het ontroert me, deze oude man met zijn tandenloze koppie die blij is dat ik hem alleen maar goedendag wenste. Iets wat zo vanzelfsprekend is, maar blijkbaar toch niet…
‘Ik ga boodschappen doen en pinnen en dan kom ik bij u een krant kopen’, beloof ik hem.
Een handkus en een grote glimlach is mijn beloning.

Als ik even later weer naar buiten stap, geef ik hem een vers broodje en koop ik een daklozenkrant.
Ik merk dat ik, omdat ik met deze man waar ze geen raad mee weten sta te praten, nu ook door het boodschappenpubliek word genegeerd.
Ik lijk ineens onzichtbaar.
Zou het zo voelen als je buiten de maatschappij valt? Alsof je een virus bent: onzichtbaar, maar ondanks dat angstvallig gemeden.

‘Hoeveel kranten heeft u vandaag verkocht?’ wil ik weten.
‘Één!’ zegt hij stralend.
Ik besef dat dat dan de krant moet zijn die ik nu in mijn hand heb.
‘U heeft een mooi hart’ herhaalt hij.
‘Nu u bent mijn familie.’
Hij legt zijn hand op zijn hart.
Ik glimlach. ‘Ik doe mijn best met dat hart van mij, ik wil graag uw familie zijn. Fijne dag en tot de volgende keer!’

Hij zwaait me na als ik van de parkeerplaats rijd.
Ik krijg de glimlach niet van mijn gezicht.
Ik houd van échte mensen.
Mensen met een verhaal.
Mensen zonder huis en zonder tanden, maar met een hart van goud.

Eén reactie

Plaats een reactie