Naast ons op de camping staat een camper.
Niet zo’n leuk, kleurig en sfeervol campertje waar je al vrolijk van wordt als je het ziet, maar een camper zo groot als een tennishal. Nou ja, bijna.
Zo’n ding waar je je hele leven voor moet sparen, en dan nog lukt dat alleen als je allebei een goeie baan hebt en geen vier geldverslindende kinderen zoals wij.
Je zou denken dat je, als je de camper eindelijk de jouwe kunt noemen, je daar zielsgelukkig mee gaat rondtrekken en de glimlach niet meer van je gezicht kunt krijgen. Dat geldt helaas niet voor onze campingburen.
Naast elkaar zitten ze onder de elektrisch uitschuifbare luifel. De afstand tussen hen is groot genoeg om eventueel fysiek contact te mijden, maar elkaar nog net te kunnen verstaan. Hun dikke billen zitten strak in een glimmend wit plastic stoeltje geperst en twee paar worstenpootjes liggen op de bijbehorende krukjes.
In plaats van de glimlach die ik verwacht, zie ik mondhoeken die geen enkele moeite doen de zwaartekracht te weerstaan.
De vrouw zit het dichtst bij me. Waar haar tweede onderkin ophoudt, begint haar hooggesloten bloemetjesjurk. Ik moet de neiging onderdrukken om haar in een Heimlichgreep te nemen, want het ziet eruit of ze ernstig in ademnood is. Ik besef dat ik nooit met mijn armen om haar bovenlijf zou kunnen komen, dus die reddingsactie moet ik sowieso achterwege laten. Ze heeft een puzzelboekje in haar handen voor de sier, want ze kijkt er met ontevreden gezicht overheen om te zien of er nog wat te mopperen valt.
Nu zou je medelijden kunnen krijgen met de man die met zo’n vrouw is getrouwd, maar bespaar je de moeite.
Hij zit, in zijn korte broek en grijze shirt dat 20 jaar geleden nog paste, maar nu zeker 3 maten te klein is, met dezelfde ontevreden blik op zijn gezicht om zich heen te loeren.
Je weet maar nooit of er een kind te hard schreeuwt, een hond te hard blaft of een caravan iets naast het veldje parkeert. Dat geeft ze tenminste weer iets om over te mopperen.
Hun geduld wordt beloond.
Eind van de middag komt er een grote camper de camping oprijden. Achter het stuur zit een jonge man. Aan de stickers op de zijkant is te zien dat het ding is gehuurd en aan de rijstijl van de man is te zien dat hij van tevoren is vergeten om even te oefenen.
Na zeker 6 keer voor- en achteruit steken, weet hij zijn onderkomen op de aangewezen plek te krijgen. Dat het schots en scheef staat, lijkt hem niets uit te maken. Trots op zichzelf kijkt hij naar zijn vrouw en zoontje. Ze staan en gaan nu lol maken. Het hele jaar hebben ze keihard gewerkt om twee weken deze camper te kunnen huren, ze willen zo graag hun zoontje Zweden laten zien en ervaren. Zoonlief zelf rent rondjes om de camper, daarbij indianengeluiden producerend die over de hele camping en waarschijnlijk ook daarbuiten te horen zijn.
Als ze eindelijk hebben ontdekt hoe het luik achterin de camper open moet, gooien ze een paar stoeltjes naar buiten en gaan dolgelukkig zitten. De elektrisch uitschuifbare luifel laten ze voor wat het is, de zon schijnt en ze weten ook niet hoe het werkt.
Vanaf de andere kant van de camping worden ze ontevreden bekeken. Hun camper staat scheef en ze maken veel te veel geluid. En waarom laten ze dat luik zo openstaan?
De mondhoeken blijken toch bestand te zijn tegen de zwaartekracht, want ze krullen in een valse grijns omhoog. Twee paar enorme billen verschuiven in de plastic stoeltjes, er verschijnt een sprankel in hun ogen. Eindelijk lachen en praten ze met elkaar.
Niet vanwege de prachtige dure camper waar ze hun hele leven voor hebben gespaard.
Niet vanwege de mooie omgeving en niet vanwege de zon.
Nee.
Ze hebben eindelijk weer eens wat te mopperen! Lang leve de vakantie!
